Sample records for zijn geweest proef

  1. Inventory of Simulation and Modeling for the Analysis of Ground Manoeuvre Performance (inventarisatie van vragen en modellen voor de analyse van het grondgebonden optreden)

    DTIC Science & Technology

    2006-04-01

    uitvoeren, en hoe lang men deze operaties wit kunnen voortzetten. Deze vragen zijn niet binnen AGO te beantwoorden, mawr de antwoorden op deze vragen...Bovenstaande modellen zijn allen in gebruik bij DSTL. Daarnaast beschikt de DGD&D over een eigen wargame (MINERVA) waarmee men seminars ten beboeve van...gemnodelleerd. Zo zijn er voor de afzonderlijke tanks geen vuursectoren gemodelleerd waarbinnen men terugvuurt. Dit kan in de toekomnst wel verder

  2. Deterministic Combatmodels, Interim Report 1: Literature Research (Deterministische Gevechtsmodellen, Interim Rapport 1: Literatuur Onderzoek)

    DTIC Science & Technology

    1991-12-01

    gevechtsxnodellen .. .. .. .. .. ... .. ... .. ... ... ... 9 2.3 Methodolog-Ische indeling van gevechtsmodellering. .. .. .. .. .. ... ... 10 2.4 Deterxninistische...te vinden in [2]. Er zijn verschillende methoden om. gevechtsmodellen in te delen. *op grond van doel - training en anderwijs -research 9 op grond van...duel modellen warden verwerkt. Voor deze methode wordt verwezen naax [ 11 , 12, 13]. Deze laatste twee methoden zijn nog volop in ontwikkeling en er

  3. Werkbelasting Bij Verkeers-En Gevechtsleiding. Deel 2 (Workload of Air Traffic and Air Combat Personnel. Part 2)

    DTIC Science & Technology

    1989-07-31

    de onderzaeker nadig had am van bet instituut naar de werkplek te reizen . Genaemde diensten waren er niet zeker van dat bet nag steeds druk zau zijn...tegen de tijd dat anderzoeker ter plaatse zau zijn. Daarap werd beslaten bij deze diensten twee midweken (dinsdag t/m donderdag) cantinu te observeren...eon onderzoek to doen. Do tijd tussen oproep en begin van het onderzoek was 30 tot 40 minuten. Hot onderzoek word afgebroken als do werkpiek vaorbij was

  4. Selection of a Method for the Measurement of the Protection Factor in the Field (Selectie van een methode voor de meting van de gasmaskerprotectiefactor te velde)

    DTIC Science & Technology

    1998-06-01

    deeltjes in het masker, de luclitwegen of de detector worden protectiefactoren gevonden die in het algemneen te optimistisch zijn [11, 12]. De gevonden...zijn wel te relateren aan bepaalde activiteiten. 4.2.2 Natuurlijk atmosferisch stof Door de firma TSI is een apparaat ontwikkeld (Portacount) dat...onderdruk afnemen [5]. Door de firma Dynatech Nevada (USA) wordt een apparaat geproduceerd dat van dit principe gebruikmaakt. Het apparaat is voorzien

  5. Dutch Anthropometry for Vehicle Design and Evaluation

    DTIC Science & Technology

    2008-10-01

    middelen Beschrijving van de werkzaamheden Uitgaande van afmetingen van Nederlanders zijn grenswaarden voor negen paspoppen. met vanSrende...vastgesteld voor het jaar 2015 Hierbij is uitgegaan van een Nederlands antropometrisch bestand (NedScan) Resultaten en conclusies Het resultaat is een kort... Nederlands antropometrisch bestand (NedScan) en van lichaamsafmetingen van goedgekeurde K.L rekruten. De grenswaarden omvatten 95% van dat Nederlandse

  6. Physical Protection: the State of the Art

    DTIC Science & Technology

    2005-02-01

    fundamentele mechanisme van adsorptie van water beschrijft; dit is ingewikkeld en kost veel tijd ; een tweede benadering is het opstellen van een eenvoudig...gasscheidingsmethoden, bij voorkeur regeneratief, zijn zeer wenselijk vanwege de logistieke voordelen en de gegarandeerde langere operatie tijd . P(T)SA is meer...in de loop van de tijd ) met vrij simpele middelen en technieken sterk worden verbeterd. Deze technieken, zoals micro-encapsulatie en toevoeging van

  7. Processing Temporal Constraints and Some Implications for the Investigation of Second Language Sentence Processing and Acquisition. Commentary on Baggio

    ERIC Educational Resources Information Center

    Roberts, Leah

    2008-01-01

    Baggio presents the results of an event-related potential (ERP) study in which he examines the processing consequences of reading tense violations such as *"Afgelopen zondag lakt Vincent de kozijnen van zijn landhuis" (*"Last Sunday Vincent paints the window-frames of his country house"). The violation is arguably caused by a mismatch between the…

  8. Eindrapportage doelfinancieringsgrogramma V910 Munitie: functionering, veiligheid en milieu (Final Report of Program V910 Munition: Functioning, Safety and Environmental Aspects)

    DTIC Science & Technology

    2005-09-01

    kEuro. De doeistellingen van ditprogranxnu zijn in der tijd ais volgt ornscbreven. Defensiedoelstelling Het prograruma beeft tot doe] de Kennis Kunde en...typeklassificatie en kwalificatieprocedure in Nederland is achterhaald; genoemde organisatie en functionarissen bijvoorbeeld dienen bij de tijd te...voorzien is van een kunststof coating waaraan de te analyseren stof adsorbeert. Deze vezel wordt vervolgens gedurende enige tijd in contact gebracht

  9. Job Oriented Training ’Lessons Learned’

    DTIC Science & Technology

    2008-11-01

    Job Oriented Training ’Lessons Learned’ Job Oriented Training (JOT), een vorm van trainen waarbij de cursist zelfstandig, zonder theorie vooraf...39 77 lnfo-DenV@tno.nl TNO-rapportnummer TNO-DV 2008 A447 Opdrachtnummer Datum november 2008 Auteur (s) drs. H.E. Stubbe dr. A.H. van der...onderlinge discussie over achterliggende overwegingen te stimuleren. Zij hebben op dat moment nog geen theorie aangeboden gekregen en zijn niet op de hoogte

  10. Who Do We Deploy for Psychological Operations: A Function Profile for TPT Members

    DTIC Science & Technology

    2008-01-01

    doet onderzoek om de ontwikkeling v’an PSYOPS in Nederland te ondersteunen. Een eerste stap, in het goed voorbereiden en uitvoeren van PSYOPS is het...bezit. De focus van het huidige project ligt op de selectiemethode van mensen die PSYOPS functies gaan vervullen. Naast Nederland zijn er ook andere NAVO...deze interviews kwam naar voren dat verschillende landen kampen met dezelfde problemen als Nederland wat betreft de selectie van het PSYOPS personeel

  11. Beslisbevoegdheden van de Uitgestegen Soldaat. Deel B: Verbetering van Situational Awareness Met Behulp van de Soldier Digital Assistant in een Gesimuleerde Omgeving (Authority and Responsbility of the Dismounted Soldier. Part B. Improving the Situational Awareness using the Soldier Digital Assistant in a Simulated Environment)

    DTIC Science & Technology

    2007-04-01

    Dergelijke omngevingen zijn tot op heden vrijwel uitsluitend gebruikt voor training en onderwijs , maar slechts zeer sporadisch voor wetenschappelijk...Onderstaande instanties/personen ontvangen een volledig exemplaar van het rapport. 1 DMO/SC-DR&D standaard inclusief digitale versie bijgeleverd op cd

  12. Tussenrapportage Validatie Onderwijsvernieuwingen (Validation Assistant in Instructional Design)

    DTIC Science & Technology

    2007-05-01

    validatie onderwij svemieuwingen D)atum mei 2007 Auteur (s) drs. J.P. van Meer drs. G,J. Veldhuis dr. M.L. van Ernmerik M.G. van Schaik Rubricering...als doel om nog beter is het van belang dat het maken van keuzes Auteur (s) passende adviezen te kunnen genereren. binnen een moeilijk grijpbaar...benaderd door de theorie achter de onderwijsconcepten te toetsen aan het oordeel van de expert. Er zijn echter beperkingen in deze opzet denkbaar die

  13. Bio-Aerosol Testkamer: Ontwikkeling van Protocollen (Bio Aerosol Test Chamber: Development of Protocols)

    DTIC Science & Technology

    2007-07-01

    testfaciliteit detector met de drie simulanten getest beschikbaar gekomen voor het testen van Beschrijving van de worden volgens gangbare internationale bio...2005 werd de Bio-Adrosol Testkamer (BAT-kamer) geplaatst door de firma Dycor Technologies Ltd., Canada. In de BAT-kamner kan een bio-ai5rosol...bestaande ruimte past. In beide gevallen bleek de firma Dycor Technologies Ltd in Canada (http://www.dycor.com) de beste leverancier te zijn, en voor beide

  14. MATE (Mentale Aspecten van Team Effectiviteit) (MATE (Mental Aspects of Team Effectiveness))

    DTIC Science & Technology

    2008-05-01

    0 Auteur (s) drs. J.P. van Meer drs. MI. 1 ’ IIart0 drs. 1. van der 16. Rubricering rapport Ongerubriceerd Vastgesteld door Ikol drs. L.A. de Vos...team Auteur (s) Teamntraining drs. J.P. van Meer drs. M.H.E. I Hart Programmanummer Projectnummer drs. 1. van der Beijl V406 015.34095 Rubricering...Murphy & Cleveland (1995) geven inzicht in de tearngedragingen die meetbaar zijn en de theorie over Shared Mental Models (Espevik et al, 2006) laat zien

  15. Geautomatiseerde Verwerking van Militaire berichten Volgens ADatP-3 (Automated Processing of Military Messages According to ADatP-3)

    DTIC Science & Technology

    1992-06-01

    ATCCIS beoogt juist dat te bereiken door te werken aan ecn informatie model en een data element dictionary. TNO-rapport Pagina 9 Binnen bet C2...en distributie 44 4.3.2 Interface met de gebruiker 45 4.3.3 Interface met dc operationcle database 46 TNO-rapport Pagina 11 4.3.3.1 Interpretatie...die bezig zijn met het ontwikkelen en implementeren van berichtformaten. Deel I van de publicatie bevat de beschrijving van FORMETS, delen 11 , I11 en

  16. Kwaliteit van Expertsystemen: Algoritmen voor Integriteits-Controle (Quality of Expert Systems: Algorithms for Integrity Control)

    DTIC Science & Technology

    1990-03-01

    Dist~i~ Ulnre rbu~ on Una o~d0 9 ~ j 2 0 0 TNO rapport Pagina rappon no. .FEL-89-A312 f"It Kwaliteit van Expertsystemen: Algoritmen voor Integriteits...KNOWLEDGEBASE 7 2.1 Inleiding 7 2.2 Een uitbreiding op NIAM: E(xtended)NIAM 8 2.3 Specificatie in E(xtended)NIAM 11 2.4 Representatie in Prolog 13 3...instantiatie van cen ThO rapport Pagina 9 ’graph’ is gelijk aan ten propositie (ean uitspraak over dea werkelijkheid). ’Graph’- instantiaties zijn

  17. Scatterometry

    NASA Astrophysics Data System (ADS)

    Stoffelen, Adrianus Cornelis Maria

    1996-10-01

    Een veelheid aan meteorologische metingen is dagelijks beschikbaar. De meeste van deze waarnemingen bevinden zich echter boven land, en met name windwaarnemingen boven de (Noord Atlantische) oceaan zijn schaars. Bij een westelijke luchtstroming is dit een duidelijke beperking voor de weers- en golfverwachtingen ten behoeve van Nederland. Juist dan is het gevaar voor bijvoorbeeld storm of overstroming het grootst. Ook in het aardse klimaatsysteem speelt de wind aan het oppervlak een grote rol en is de belangrijkste factor voor de aandrijving van de oceaancirculatie. De oceaancirculatie op zijn beurt is cruciaal voor de verschijnselen die samenhangen met bijvoorbeeld El Niño. Dit proefschift gaat over het scatterometer instrument dat vanuit de ruimte, zelfs onder een wolkendek, nauwkeurige en betrouwbare informatie geeft over de wind aan het oceaanoppervlak met een hoge mate van ruimtelijke consistentie. Tijdens de tweede wereldoorlog werden radars aan boord van schepen veelvuldig gebruikt voor de opsporing van vijandige vaartuigen. Hierbij werd vastgesteld dat de detectie slechter werd naarmate de wind aan het zeeoppervlak groter was. Proefondervindelijk was hiermee het principe van een wind scatterometer aangetoond. Al snel ontwikkelde zich dan ook de idee de wind aan het zeeoppervlak te meten met behulp van radar. Vanuit een vliegtuig of een satelliet word dan een microgolfbundel onder een schuine hoek naar het zeeoppervlak gestuurd. De microgolfstraling, met gewoonlijk een golflengte van enkele centimeters, wordt verstrooid aan het ruwe oppervlak, en een klein gedeelte van de uitgezonden puls keert terug naar het detectorgedeelte van de scatterometer. Het fysische fenomeen van belang voor de werking van de scatterometer is de aanwezigheid van zogeheten capillaire gavitatiegolven op het zeeoppervlak. Deze golven hebben een golflengte van enkele centimeters en reageren vrijwel instantaan op de sterkte van de wind. De verstrooiing van microgolven is op zijn beurt weer sterk afhankelijk van de amplitude van de capillaire golven. Bovendien blijken de capillaire golfjes over het algemeen gericht in lijn met de windrichting. Aldus bestaat er een verband tussen de hoeveelheid teruggestrooide energie en de windsterkte en -richting op enige hoogte. Een scatterometer instrument wordt zo ontworpen dat uit diverse metingen van het teruggestrooide vermogen, windsterkte en -richting afgeleid kunnen worden. Deze metingen kunnen dan eenvoudig vergeleken worden met bestaande windgegevens van boeien, schepen en weermodellen ter calibratie en validatie.?SAMENVATTING viii Overzicht In de loop der jaren zijn scatterometer instrumenten aan boord van verscheidene satellieten gelanceerd. De scatterometers op de ERS-1 en ERS-2 ("European Remote-sensing Satellite") hebben de langste staat van dienst en zijn sinds 1991 operationeel. Deze scatterometers (die identiek zijn) hebben ieder drie antennes, waarmee het oceaanoppervlak in drie verschillende richtingen bemeten wordt. Een punt op het aardoppervlak wordt eerst door de naar voren gerichte bundel belicht, dan door de naar opzij gerichte bundel, en als laatste door de naar achteren gerichte bundel. De drie metingen, verder kortweg aangeduid als trits, kunnen tegen elkaar worden uitgezet, hetgeen resulteert in een ruimtelijk (3D) plaatje. Door uitgekiende doorsneden te maken van deze ruimte kan de samenhang van de drie metingen kwalitatief worden bestudeerd. De drie metingen blijken dan inderdaad een sterke samenhang te vertonen die verklaard kan worden uit twee geofysische parameters. De drie metingen liggen namelijk in het algemeen dichtbij een hoornvormig (2D) oppervlak. De lengterichting van de hoorn blijkt voornamelijk te corresponderen met een variërende windsterkte (of ruwheid van de zee), en de kortste omtrek van de hoorn met een variërende windrichting (ofwel oriëntatie van de capillaire golfjes). De karakterisatie en modellering van dit oppervlak heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering in de interpretatie van de scatterometer, zoals beschreven is in dit proefschrift. Hierboven is een uiterst simplistisch beeld gegeven van de fysica die van belang is bij de interpretatie van de scatterometer. Het eerste hoofdstuk van dit proefschrift beschrijft in meer detail de fysische modellering van belang bij de interpretatie van de scatterometer metingen. Ten eerste, de topografie van het zeeoppervlak is uitermate gecompliceerd en niet nauwkeurig te beschrijven met eenvoudige mathematische vergelijkingen. De capillaire golven hebben een andere fasesnelheid dan de langere golven en beide hebben hiermee een ingewikkelde dynamische interactie. Bij hogere windsnelheid breken de golven en ontstaan er schuimkoppen, hetgeen de fysische beschrijving verder compliceert. Ten tweede, de interactie van een schuin invallende microgolfbundel met dit gecompliceerde oppervlak is evenmin nauwkeurig te beschrijven. Zowel verstrooiing als reflectie kunnen een rol spelen. Ten derde, over de relatie tussen de amplitude van de capillaire golven en de wind op enige hoogte, laten we veronderstellen 10 m, is in de literatuur niet de overeenstemming tot in het gewenste detail. Bij lage windsnelheid zouden de oppervlaktespanning of variaties in de wind variabiliteit een rol kunnen spelen. Gezien de fysische complexiteit, is het niet verwonderlijk dat voor de interpretatie van scatterometer metingen statistische methoden hun opgang gevonden hebben. Dit proefschrift gaat met name in op deze methoden, en geeft, aan de hand van vijf wetenschappelijke publicaties, een tamelijk volledig beeld van de "state-of-the-art", zoals die bereikt is met de?SAMENVATTING ix ERS scatterometers (ERS-1 vanaf 17 juli 1991 en later ERS-2 vanaf 22 november 1995). Het derde hoofdstuk behandelt de visualisatie van de gemeten tritsen in de 3D meetruimte, de bepaling van de spreiding van de metingen rond het hoornvormige oppervlak, en de schatting van de meest waarschijnlijke "werkelijke" (of ruisvrije) trits bij het hoornvormige oppervlak gegeven de metingen en hun nauwkeurigheid (inversie). De perceptie dat de metingen met grote waarschijnlijkheid dichtbij een hoornvormig oppervlak liggen, vormt essentiële a priori informatie van belang voor de inversie. Een inversieprocedure gestoeld op waarschijnlijkheidstheorie is afgeleid. Verder worden aan de hand van de structuur van het hoornvormige oppervlak indicatoren bepaald, van belang voor de kwaliteitscontrole, instrumentbewaking, en de verdere verwerking van de gegevens. In de appendix wordt een methode besproken die beschrijft hoe, aan de hand van geselecteerde windgegevens en een goed wind-microgolf verband, ofwel transfer functie, de scatterometer verstrooiingsmetingen gecalibreerd kunnen worden boven de oceaan. Het blijkt dat deze calibratie, die per antenne wordt uitgevoerd, uiterst nauwkeurig is, en, wanneer toegepast, in de 3D meetruimte de verdeling van gemeten tritsen gemiddeld dichterbij de door de transfer functie gemodelleerde hoorn brengt. Dit levert een verbetert scatterometer wind product op. De methode was met name van groot belang voor de validatie en calibratie van de ERS-2 scatterometer, voordat de instrumentele calibratie was voltooid. Met behulp van een set windgegevens uit een weermodel en hun geschatte nauwkeurigheden, passend in locatie en tijd bij een set van scatterometer metingen en hun geschatte nauwkeurigheden, kan met quasi-lineaire schattingstheorie ("Maximum Likelihood Estimation") de meest waarschijnlijke wind-microgolf transfer functie worden afgeleid. De niet-lineariteit en onnauwkeurige formulering van de transfer functie, een niet-uniforme verdeling van invoergegevens, en een inaccurate formulering van de geschatte nauwkeurigheid kunnen hier een goed resultaat in de weg staan. Een nieuwe functie, genoemd CMOD4, wordt afgeleid in hoofdstuk IV. Een eerste eis die gesteld wordt aan een transfer functie, is dat het in de 3D meetruimte nauwkeurig bij de gemeten tritsen past. Wanneer de "fit" optimaal is zal het gecombineerde effect van meetonnauwkeurigheid en inversiefout kleiner zijn dan 0.5 m s -1 in de wind vector. CMOD4 blijkt binnen deze fout bij de metingen te passen. Een tweede eis is, dat voor een onafhankelijke gegevensset, het verschil tussen de geïnverteerde scatterometer wind en de bijpassende wind van bijvoorbeeld een weermodel zo klein mogelijk is. In de praktijk blijkt dat deze tweede eis impliciet volgt uit de eerste, maar ook dat de onnauwkeurigheid van de scatterometer wind met name wordt bepaald door de associatie van een locatie op de hoorn met een wind vector. De onnauwkeurigheid in de scatterometer wind kan dan ook goed beschreven worden in het wind domein.?SAMENVATTING x In hoofdstuk V wordt dit laatste verder uitgewerkt, en wordt gestreefd naar een gedetailleerde wind calibratie met behulp van in situ gegevens. Windgegevens bevatten doorgaans een relatief grote onnauwkeurigheid. Het wordt aangetoond dat ijking of regressie van zulke gegevens niet mogelijk is in een vergelijking van twee meetsystemen, tenzij de nauwkeurigheid van één van de twee meetsystemen bekend is. In de praktijk is dit meestal niet zo. Voor deze gevallen wordt een methode voorgesteld die uitgaat van de simultane vergelijking van drie meetsystemen. In dit geval kan zowel de ijking als een foutenmodel voor de drie meetsystemen worden opgelost. Toepassing van de methode laat zien dat de scatterometer wind afgeleid met behulp van CMOD4 ruwweg 5 % te laag is, en de oppervlaktewind van het gebruikte weermodel ongeveer 5 % te hoog. Het hoornvormige oppervlak blijkt te bestaan uit twee nauw samenvallende laagjes. Wanneer de wind een component heeft in de kijkrichting van de middelste microgolfbundel wordt de ene hoorn beschreven, en wanneer de wind een component heeft tegengesteld hieraan, de andere. Uit een trits metingen (met ruis) kan dus in het algemeen niet een unieke windvector worden bepaald. Twee ongeveer tegengestelde oplossingen resulteren. Deze dubbelzinnigheid in de windrichting kan in de praktijk worden opgelost door die oplossing te kiezen die het dichtst bij een korte termijn weervoorspelling ligt. Daarna kunnen eisen worden gesteld aan de ruimtelijke consistentie van het gevonden windvector veld. Zoals beschreven in hoofdstuk V levert zo'n methode de goede oplossing in meer dan 99 % van de gevallen. Zo kan een in het algemeen kwalitatief goed windproduct worden afgeleid uit de ERS scatterometermetingen. In het tweede gedeelte van hoofdstuk V wordt ingegaan op de assimilatie van scatterometergegevens in weermodellen. Voor variationele gegevensassimilatie wordt een methode voorgesteld, waarbij de dubbelzinnige scatterometerwinden worden geassimileerd, en niet direct de terugstrooiingsmetingen. Dit vanwege het feit dat de onzekerheid in de interpretatie van de scatterometer, het best is uit te drukken als een fout in de wind. De projectie van deze fout op de microgolfmetingen is niet-lineair, en daarmee tamelijk moeilijk te verwerken binnen de context van meteorologische variationele gegevensassimilatie. Assimilatie van de dubbelzinnige wind daarentegen is tamelijk recht toe recht aan. De scatterometermetingen leiden tot een duidelijk betere analyse en korte-termijn voorspelling van het windveld boven zee. De bedekking is echter zodanig dat andere windwaarnemingen nog lang een zeer welkome aanvulling zullen zijn. Nieuwe Amerikaanse scatterometers met een grotere bedekking zijn in ontwikkeling (met name QuikSCAT en SeaWinds). Vanwege hun andere geometrie en golflengte is echter eerst ontwikkelwerk nodig om tot een gedegen interpretatie te komen. De in dit proefschrift beschreven methodologie kan een belangrijke rol spelen in de interpretatie van de gegevens van deze scatterometers. De volgende generatie Europese scatterometers (ASCAT genoemd) heeft een?SAMENVATTING xi grote bedekking en de microgolflengte en meetgeometrie van de ERS scatterometers. Hiermee zijn we op termijn verzekerd van een goed scatterometer wind product.?SAMENVATTING xii

  18. [Multidisciplinary treatment in orthodontics].

    PubMed

    Oosterkamp, B C M; Kuijpers, M A R

    2015-11-01

    In deze editie van het NTvT neemt het thema ‘Multidisciplinaire aanpak in de orthodontie’ de lezer mee in de mogelijkheden van multidisciplinaire zorg vanuit een orthodontisch oogpunt. Tandheelkunde is niet meer uitsluitend gericht op preventie en behandeling van cariës. De gebitstoestand van zowel ­kinderen als volwassenen is de afgelopen 30 jaar namelijk sterk verbeterd. De cariës­ervaring is duidelijk afgenomen en mensen behouden steeds langer hun natuurlijke gebit. Daarnaast is een fraai uitziend en goed functionerend gebit steeds vanzelfsprekender geworden en zijn patiënten gemotiveerd hun gebit te behouden. Deze ontwikkelingen vragen ook van (mond)zorgverleners een andere kijk op de zorg. De tandheelkundige zorg betreft steeds meer integrale zorg met een multidisciplinair karakter waarbij ­verschillende disciplines samenwerken om in samenspraak met de patiënt tot een optimaal resultaat te komen.

  19. Inelastic processes in atomic collisions involving ground state and laser-prepared atoms

    NASA Astrophysics Data System (ADS)

    Planje, Willem Gilles

    1999-11-01

    In dit proefschrift worden experimenten beschreven waarbij ionen of atomen met een bepaalde snelheid op een ensemble van doelwitatomen worden gericht. Wanneer twee deeltjes elkaar voldoende genaderd hebben, vindt er wissel- werking plaats waarbij allerlei processen kunnen optreden. Deze processen resulteren in specieke eindproducten. Kennis over de interactie tussen twee botsingspartners wordt verkregen door te bekijken welke eindproducten ontstaan, en in welke mate. Een belangrijke grootheid die van invloed is op mogelijke processen is de onderlinge snelheid van de twee kernen, oftewel de botsingssnelheid. Wanneer de botsingssnelheid voldoende klein is dan kunnen de verschillende reactiemechanismen zowel kwalitatief als kwanti- tatief vaak goed voorspeld worden door het systeem te beschouwen als een kort-stondig molecuul, opgebouwd uit de twee botsende deeltjes. De ver- schillende processen die kunnen optreden worden gekwaliceerd afhankelijk van de vorming van bepaalde eindproducten. Ruwweg de volgende indeling kan gemaakt worden: 1. de interne structuur van de eindproducten zijn identiek aan die van de beginproducten. We spreken dan van een elastische botsing. 2. e en van de deeltjes of beiden worden in een aangeslagen toestand ge- bracht (of ge¨oniseerd). Dit zijn processen waarbij de herschikte elek- tronen zich bij de oorspronkelijke kern bevinden. We spreken dan van excitatie of ionisatie. 3. e en of meerdere elektronen bevinden zich bij de andere kern na de botsing (eventueel in aangeslagen toestand). We spreken dan van elek- tronenoverdracht. In het eerste deel van deze dissertatie worden botsingsexperimenten tussen heliumionen en natriumatomen beschreven waarbij het proces van elek- tronenoverdracht wordt onderzocht. Bij dit mechanisme is het buitenste 117?Samenvatting natriumelektron betrokken. Deze kan relatief gemakkelijk `overspringen' naar het heliumion wanneer deze zich dicht in de buurt van het natrium- atoom bevindt. Het elektron kan hierbij een bepaalde (aangeslagen) toe- stand bezetten. Wij meten de bezetting van de heliumtoestanden die onder uitzending van XUV licht ( ? 58 nm) vervallen naar de heliumgrondtoe- stand. Door de lichtintensiteit te meten onderzoeken we de mate van elek- tronenoverdracht naar een selecte groep van singlet helium`eind'toestanden, namelijk He(1s2p), He(1s3s), He(1s3p) en He(1s3d). In een reactie- vergelijking ziet het mechanisme er als volgt uit: He + (1s) + ( Na(3s) Na(3p) e- -! He + Na + -! He(1s 2 ) +h(58 nm) + Na + Het experiment kent een extra dimensie door het feit dat het, in beginsel bol- symmetrische, natriumatoom een bepaalde ruimtelijk uitlijning kan worden meegegeven. Met behulp van laserlicht van een specieke frequentie en po- larisatie, wordt het buitenste natriumelektron in een aangeslagen p toestand gebracht. Het aanslaan naar deze toestand heeft als gevolg dat het valentie- elektron zich op grotere afstand van zijn kern bevindt dan voorheen. Daar- naast kan, afhankelijk van de gebruikte laserpolarisatie, het buitenste elek- tron zich nu rond de natriumkern bewegen volgens een bepaalde anisotrope verdeling, de bolsymmetrie is doorbroken. De eecten van de excitatie en ruimtelijk verdeling van dit natriumelektron op het proces van elektronen- overdracht zijn onderzocht voor botsingsenergie¨en vari¨erend van 0.5 keV tot 6.0 keV. De metingen laten zien dat het eect van laserexcitatie een bezettingstoe- name van de beschouwde singlet heliumtoestanden betekent, ongeacht de uitlijning van het natrium 3p elektron. Dit is simpelweg te begrijpen uit het feit dat het 3p natrium elektron minder sterk gebonden is en elektro- nenoverdracht makkelijker gaat. Daarnaast is de uitlijning van het aanges- lagen elektron van invloed op de elektronenoverdracht. De resultaten zijn vergeleken met berekeningen van S.E. Nielsen en T.H. Rod [13], die de elek- tronoverdracht beschrijven in een model waarbij het betrokken elektron zich beweegt in bepaalde eectieve potentiaalvelden. De goede overeenkomsten van onze metingen met de berekeningen rechtvaardigen de theoretische be- nadering van Nielsen en Rod. 118?Samenvatting In het tweede gedeelte van het proefschrift worden botsingen beschouwd tussen helium- en neonatomen. Hierbij wordt nu niet gekeken naar bots- ingsproducten die zich manifesteren door bepaald licht uit te zenden, maar een elektron emitteren met een bepaalde energie. Verschillende soorten `eind'producten kunnen elektronen uitzenden, waaronder de negatieve ion- toestanden. Het elektronenspectrum, gemeten voor dit botsingssysteem, vertoont twee pieken die het spectrum domineren bij 16.2 eV en 19.4 eV voor verschillende botsingsenergie¨en tussen de 0.35 keV en 6.0 keV. Deze piekstructuren wijzen op de vorming van de kort-levende, negatieve iontoe- standen Ne-(2p 5 3s 2 ) en He-(1s2s 2 ) ten gevolge van de overdracht van e en elektron: He 0 + Ne 0 -! He-(1s2s 2 ) +Ne + (2p 5 ) 3 10- 14 s -! He 0 (1s 2 ) +Ne + + e- (19.37 eV) He 0 + Ne 0 -! He + (1s) +Ne-(2p 5 3s 2 ) 2:5 10- 13 s -! He + (1s) +Ne 0 (2p 6 ) +e- (16.15 eV) De meetresultaten vertonen een fenomeen waarbij de bezettingen van de negatieve iontoestanden een oscillerend gedrag vertonen als functie van de botsingssnelheid. Dit duidt op interferentie tussen de twee bijna-ontaarde moleculaire toestanden [He- + Ne + ] en[He + + Ne-]. Het is echter zeer op- merkelijk dat deze oscillatie wordt waargenomen in een experiment als deze, waarin de uitgezonden elektronen worden gemeten ongeacht de afbuighoek van het heliumatoom. Dit impliceert een speciek aanslagmechanisme van de moleculaire negatieve iontoestanden. Nader beschouwing van het bots- ingssysteem laat zien dat het instantane molecuul twee overgangen moet ondergaan voordat de negatieve iontoestanden gevormd worden. Als gevolg hiervan is de snelheid waarmee het negatieve en positieve ion uit elkaar be- wegen nagenoeg onafhankelijk van de afbuighoek van het helium projectiel en is oscillatie mogelijk waarneembaar. De wisselwerking tussen de twee beschouwde moleculaire toestanden impliceert gecorreleerde overdracht van twee elektronen: He- + Ne + 2e- ! He + + Ne- Door het quasi-resonante systeem als resonant te beschouwen kan het fenomeen kwalitatief goed verklaard worden. 119?Samenvatting Inhet laatstedeelwordt de bevolkingvanauto¨oniserende natriumtoestanden bekeken in He +=0 + Na botsingen. In tegenstelling tot de voorgaande exper- imenten waarin elektronenoverdracht beschouwd werd, betreft het hier een excitatiemechanisme. De beschouwde `eind'producten, i.e. de auto¨oniserende natriumtoestanden, bestaan in het algemeen kort en gaan over naar een stabiele iontoestand onder uitzending van een elektron met een toestands- karakteristieke kinetische energie. Door de elektronenspectra te meten bij verschillende botsingsenergie¨en, wordt de bezetting van de auto¨oniserende toestanden onderzocht. Ook hier wordt het eect van laserexcitatie en laser- polarisatie van het natriumatoom op de vorming van deze toestanden, en de mate waarin, bekeken. De metingen laten zien dat zowel in He + -Na als in He 0 -Na botsingen de invloed van de ruimtelijk uitlijning van het buitenste natriumelektron op de elektronenspectra nihil is. Dit impliceert dat het betrokken 3p elektron hoofdzakelijk een passieve rol speelt in de vorming van auto¨oniserende toe- standen: het blijft hoofdzakelijk de 3p toestand bezetten als een `toeschouwer' zonder een overgang te maken naar een andere toestand. Dit wordt boven- dien bevestigd door het feit dat wanneer een fractie natriumatomen aange- slagen wordt naar de p toestand dit een even grote reductie betekent van onder meer de populatie van de auto¨oniserende toestand Na(2p 5 3s 2 ). De verwachte grote toename van Na(2p 5 3p 2 ) toestanden, in geval van Na(3p) doelwitten, is niet waargenomen. 120?121?122

  20. The Local Group in LCDM - Shapes and masses of dark halos

    NASA Astrophysics Data System (ADS)

    Vera-Ciro, Carlos Andrés

    2013-01-01

    In dit proefschrift bestuderen we de eigenschappen van donkere materie halo's in het LCDM paradigma. Het eerste deel richt zich op de vorm van de massadistributie van dergelijke objecten. We hebben gevonden dat de vorm van ge"isoleerde Melkweg-achtige donkere materie halo's significant afwijkt van bolsymmetrie. De lokale omgeving heeft invloed op de halo's en deze worden daarbij sterk be"invloed door de manier waarop massa aangroeit. We hebben ook de structuur en de baanstructuur van de satellieten van dergelijke halo's in detail onderzocht. In het algemeen zijn deze objecten sferischer dan de halo's zelf. Ze vertonen ook duidelijke afdrukken van getijdenwerking in zowel hun geometrische vorm als in de baanstructuur. Daarna gebruiken we het aantal massieve objecten rond de Melkweg om limieten te zetten op de totale massa van de donkere materie halo van de Melkweg. De eigenschappen van de massaverdeling van de Melkweg worden verder onderzocht in het laatste hoofdstuk. Daar maken we gebruik van de Sagittarius sterstroom om de vorm van de galactische potentiaal beter te bepalen. We komen met een nieuw model dat rekening houdt met de galactische schijf en de invloed van satellietstelsels en die bovendien consistent is met het LCDM paradigma.

  1. [The effect of mood-stabilising drugs on cytokine levels in bipolar disorder: a systematic review].

    PubMed

    Van Den Ameele, S; van Diermen, L; Staels, W; Coppens, V; Dumont, G; Sabbe, B; Morrens, M

    Veranderde cytokineconcentraties bij personen met een bipolaire stoornis ten opzichte van controle-personen suggereren een rol van het immuunsysteem in de pathofysiologie van bipolaire stoornis. Farmacotherapie is een belangrijke verstorende factor in klinisch onderzoek naar cytokineconcentraties.
    DOEL: Evalueren van cytokineconcentraties bij medicatievrije patiënten met een bipolaire stoornis en van het effect van stemmingsstabiliserende geneesmiddelen op deze concentraties.
    METHODE: We doorzochten systematisch PubMed en Embase naar klinische studies die cytokineconcentraties bij medicatievrije patiënten met een bipolaire stoornis beschrijven of het effect van een individueel stemmingsstabiliserend geneesmiddel op deze concentraties evalueren.
    RESULTATEN: Van de 564 gescreende artikelen werden er 17 geïncludeerd. Resultaten bij medicatievrije patiënten toonden stemmingsgerelateerde cytokineveranderingen. Hoewel geen data over de kortetermijneffecten van lithium beschikbaar waren, was lithiumgebruik langer dan 2 maanden geassocieerd met normale cytokineconcentraties. Twee studies rapporteerden geen effect van valproïnezuur. We vonden geen studies over carbamazepine, lamotrigine of antipsychotica.
    CONCLUSIE: Dit systematisch literatuuroverzicht toont stemmingsgerelateerde cytokineveranderingen bij medicatievrije patiënten met een bipolaire stoornis met de meeste evidentie voor een pro-inflammatoire immuunrespons tijdens manie. Euthymie en langdurig lithiumgebruik zijn geassocieerd met normale cytokineconcentraties. Er is een belangrijke methodologische heterogeniteit en onvoldoende replicatie tussen studies. Longitudinale studies met medicatievrije beginmetingen, gerandomiseerde monotherapeutische behandelprotocollen en nauwkeurige monitoring van stemming zijn noodzakelijk.
    BACKGROUND: Alterations of the cytokine level in persons with bipolar disorder - when compared to controls - suggest that the immune system plays a role in the pathophysiology of bipolar disorder. Pharmacotherapy is an important confounding factor in clinical research on cytokine levels.
    AIM: To evaluate the evidence on cytokine levels in medication-free bipolar disorder and to study the effects that single mood-stabilising drugs have on these levels.
    METHOD: We searched PubMed and Embase systematically in order to single out clinical studies that reported on cytokine levels in medication-free bipolar disorder or that commented on the effects of single mood-stabilising drugs on cytokine levels.
    RESULTS: Of the 564 articles that we screened, we detected 17 that were particularly relevant for our investigation. Results for medication-free patients point to mood-related alterations in cytokine levels. Although we found no data relating to short-term effects of lithium, the use of lithium in euthymic populations was associated with normal cytokine levels. Two studies reported no effect of valproate. We did not find any studies relating to carbamazepine, lamotrigine or antipsychotics.
    CONCLUSION: Our systematic review of the literature suggests the presence of mood-related changes in cytokine levels in medication-free patients with bipolar disorder, with the most evidence for a proinflammatory response during a manic episode. Euthymia and long-term use of lithium use are associated with normal cytokine levels. There is considerable heterogeneity in the methods used in these studies and too little replication. Future research will have to include longitudinal studies with medication-free baseline measurements. It will also be necessary to draw up single-drug treatment protocols and to conduct intensive mood-related monitoring.

  2. OMEGACAM and Gravitational Lensing

    NASA Astrophysics Data System (ADS)

    Christen, Fabrice Frédéric Thiébaut

    2007-04-01

    Het proefschrift van Fabrice Christen gaat over de ontwikkeling van nieuwe methoden voor het corrigeren van (digitale) foto's van melkwegstelsels. Met deze methoden kunnen de beelden uit het heelal beter worden geanalyseerd. Het eerste gedeelte is gewijd aan het werk dat bij ESO is uitgevoerd aan de CCD's van de OmegaCAM camera, het enige instrument van de VST. OmegaCAM is een optische groothoekcamera met een beeldveld van een vierkante graad, opgebouwd uit een mozaiek van 8 bij 4 CCD's. Van elk onderdeel moeten alle kenmerken volledig bekend zijn voordat het in het CCD mozaiek geplaatst kan worden. In het tweede deel van dit proefschrift wordt de ontwikkeling van een nieuwe methode voor het corrigeren van de ``point-spread function'' (PSF) en schatten van de ellipticiteit van de melkwegstelsels besproken. De nieuwe techniek wordt getest en vergeleken met een door sterrenkundigen algemeen gebruikte methode in het veld van zwaartekrachtslenzen, de Kaiser, Squire en Broadhurst (KSB) methode. De nieuwe methode, gebaseerd op shapelet ontleding (vergelijkbaar met wavelet ontleding), gaat verder, en is sneller en theoretisch preciezer dan de KSB methode. Door gebruik te maken van de gecorrigeerde ellipticiteit, kunnen we een statistische analyse uitvoeren om er een kosmisch vervormingssignaal uit te halen. De licht vervormde beelden van de melkwegstelsels bewij zen dat de niet-homogene massaverdeling op megaparsec-schaal voornamelijk bestaat uit grote hoeveelheden donkere materie. Verder vergelijken we de schattingen van de ellipticiteit van de shapelet en KSB methode. Bovendien voeren we ook nog een melkwegstelsel-melkwegstelsel lens analyse uit op de 50 VLT Fors1 afbeeldingen en slagen we erin de belangrijkste eigenschappen van de halo's van de stelsels, die zich op een afstand van een- tot tweeduizend megaparsec (1 parsec = 3,26 lichtjaar = 3,085 x 10^16 meter) bevinden, te bepalen door gebruik te maken van twee modellen van melkwegstelselhalo's. Vergeleken met andere overzichtsmetingen vinden we vergelijkbare resultaten.

  3. Model-based assessment of the potential of seasonal aquifer thermal energy storage and recovery as a groundwater ecosystem service for the Brussels-Capital Region

    NASA Astrophysics Data System (ADS)

    Anibas, Christian; Huysmans, Marijke

    2015-04-01

    Urban areas are characterized by their concentrated demand of energy, applying a high pressure on urban ecosystems including atmosphere, soils and groundwater. In the light of global warming, urbanization and an evolving energy system, it is important to know how urbanized areas can contribute to their own energy demands. One option is to use the possibilities aquifers offer as an ecosystem service (BONTE et al., 2011). If used effectively an improvement in air and groundwater quality is achieved. Additionally, the more efficient distribution of the used energy may also lead to a decrease in primary energy consumption (ZUURBIER, 2013). Therefore, investigations of the potential of seasonal aquifer thermal energy storage and recovery (ATES) for the Brussels-Capital Region, Belgium is being conducted. The potential of ATES systems are of special interest for energy demands in high density urban areas because of such infrastructure as office buildings, schools, hospitals and shopping malls. In an open water circuit ATES systems consist of two or more groundwater wells, where in seasonal cycles one subtracts and the other recharges water to the aquifer. Heat pumps use the heat capacity of water for heating or cooling a building. An important limitation of the methodology is the quality of the groundwater used (i.e. precipitation of Fe- or Mn-oxides can decrease the yield). However, ATES systems on the other hand can also improve groundwater quality and groundwater ecosystems. The current knowledge of the potential for ATES systems in the Brussels-Capital Region is based on geological assessments from VITO (2007). The Brussels-Capital Region is divided into a western and eastern section with respect to geology. While the western part has less favorable conditions for ATES, the eastern is composed of the Brussels Sand formation, which is a 20-40 m thick aquifer layer that has the highest potential for ATES systems in the region. By applying groundwater flow and heat transport models on several pilot sites within this region, our study aims to better quantify the potential for ATES systems in these aquifers. Covering several dozen square kilometres, the models investigate interaction processes between ATES installations and other competing groundwater usages, including groundwater abstraction. Based on the model results ecological and economical balance calculations should better define the effects of ATES systems. Aimed at experts and decision makers this research project delivers a detailed foundation for the exploitation of seasonal aquifer thermal storage in the aquifers of the Brussels-Capital Region as an ecosystem service, and should assist in establishing guidelines for planning, building and maintaining high performing ATES systems. References BONTE, M., STUYFZAND, P.J., HULSMANN, A., VAN BEELEN, P. (2011): Underground thermal energy storage: environmental risks and policy developments in the Netherlands and European Union. Ecology and Society 16 (1): 22. VITO, (2007): Studie van de geothermische en hydrothermische technieken die toepasbaar zijn in Brussel: wettelijke context, milieu-impact, goede praktijk en economisch potentieel (in Dutch); Mol, Belgium. ZUURBIER, K.G., HARTOG, N., VALSTAR, J., POST, V.E., VAN BREUKELEN, B.M., (2013): The impact of low temperature seasonal aquifer thermal energy storage (SATES) systems on chlorinated solvent contaminated groundwater: modeling of spreading and degradation. Journal of Contaminant Hydrology 147: 1-13.

Top